Oh, ben jij het..
Door Myriame van Capelleveen | 19. augustus 2011 | categorie: Weg van de snelweg | 2 reactiesEen van mijn cliënten is een redelijk gezonde dame van halverwege de tachtig. Behalve wat ongemakken en kwaaltjes lijdt ze niet aan ernstige ziektes, verregaande vergeetachtigheid of andere akelige ouderdomsproblemen. En toch maak ik me met toenemende mate zorgen om haar. Ze raakt namelijk steeds meer levensmoe. Ze moppert op het feit dat ze zo weinig mankeert. Om haar heen ziet ze mensen wegvallen, haar echtgenoot is al bijna twintig jaar geleden overleden, haar kinderen zeggen haar weinig en haar familie is – op een zuster na die in Duitsland woont – ook al lang gaan hemelen.
Ze wordt steeds achterdochtiger op de wereld die overblijft. En nu wil ze niet meer “Waarom moet ik zo oud worden? Daar heb ik toch niet om gevraagd?” klaagt ze.
Eigenlijk vind ik het moeilijk om daar op een juiste manier te reageren. Het lijkt mij –nu- een luxe probleem. En ook niet bepaald leuk voor de kinderen die hun best doen om het leven van hun moeder zo prettig mogelijk te maken. Ze woont nog op zichzelf met veel hulp, ze vindt het fijn om vaste mensen om zich heen te hebben en daar wordt door onze organisatie zoveel mogelijk in voorzien.
Ondanks dat alles heeft ze genoeg van alles.
Vanmorgen kwam ik bij haar. Het was donker in huis, de blinden waren nog gesloten. De rollator stond eenzaam in de gang. Mevrouw was nog niet op. Ik klopte op de slaapkamerdeur maar er kwam geen antwoord. Even sloeg de angst me om het hart; het zou niet de eerste keer zijn dat ik een huis binnen kwam waar iemand niet goed was geworden.
Vervolgens hoopte ik voor haar dat ze er niet meer was. Niet voor mezelf. Ik zou het verschrikkelijk vinden om haar te vinden, om van alles in het werk te moeten stellen en om te weten dat ze heel alleen zou zijn gegaan. Maar voor haar.
Toen ik zachtjes de deur open deed, richtte ze zich half op in bed.
“Oh, ben jij het..” zei ze en begon te huilen. “Ik ben weer wakker geworden.” klaagde ze wanhopig. Ik hielp haar overeind, in haar bril en badjas. Klein en fragiel en verdrietig. “Ik ga de dokter bellen. Vragen of hij langs wil komen. Ik wil weten of hij me wil helpen…” We sjokten naar de huiskamer, zij steunend aan mijn arm, ik achter de rollator omdat ze die in haar buurt moet hebben.
Een boterhammetje met jam, een kop koffie, ik legde schone kleren klaar, maakte de badkamer gereed voor ons vrijdagse ritueel; het douchen. Ze mopperde op mijn collega’s, die het verkeerde brood hadden gekocht, weer nieuwe handdoeken hadden opgehangen: “Ze pakken drie keer daags schone spullen en jij moet het weer wassen. Alsof je geen andere dingen hier te doen hebt..” Een half uur later boog ze zich voorover om de warme douche over zich heen te laten komen. Ik zeepte haar in. Probeerde vrolijk te keuvelen: “Wat een heerlijke douche-gel is dit hè? Wilt u een crème in uw haar?” maar haar tranen, geluidloos, waren warmer dan het water over haar klein geworden lijfje.
Toen ik wegging, zat ze achter een bordje met een spinazieomelet met ham. Ze wilde graag dat ik dat maakte. “Alles wat jij kookt is lekker..” vertrouwde ze me toe.
“Tot maandag!” zei ik, alvorens ik de deur achter me zou dichttrekken.
“Ja.” is het enige wat ze me antwoordde.
Voor haar het liefst niet..

poeh poeh. je zou willen dat er voor sommige mensen een waardige manier zou zijn om hun eigen lot te bepalen….
Hoi Myr
Lijkt me inderdaad erg moeilijk dit.
Maar hoe is het nu met deze mevrouw?